Gastblog door Leontine Brameijer over de documentaire ‘Peter en Erik’

Als kind las ik een prachtig boek van Erich Kästner: Dubbele Lotje.

Louise uit Wenen en Lotte uit München ontmoeten elkaar in een zomerkamp. Als twee druppels water lijken ze op elkaar en als blijkt dat ze ook nog dezelfde geboortedatum hebben is één en één snel twee. Hun ouders blijken gescheiden te zijn en hebben destijds ieder één dochter meegenomen. Spannend wordt het als ze besluiten stiekem te ruilen, na elkaar eerst alles over hun leven te hebben verteld. Natuurlijk komt dat uit en, eind goed al goed, de ouders verzoenen zich en de meisjes hoeven hun zusje nooit meer te missen. Want het is een kinderboek uit 1951 en geen hedendaagse felrealistische jeugdroman. En zulke dingen gebeuren nooit in werkelijkheid. Of toch wel?

Onlangs woonde ik in Groningen de première bij van de documentaire Peter en Erik. Alweer een tijdje geleden was ik geïnterviewd door onderzoeks-journaliste Myrthe Buitenhuis over de mogelijke rol van de bekende Nederlandse psychoanalytica Jeanne Lampl-de Groot (1895-1987) in het adoptie drama waar de film over gaat. Die is er niet, althans niet direct of aantoonbaar, maar daarover later. In deze zorgvuldige en mooi gefilmde docu vertellen tweelingbroers Erik Hulsegge en Peter Anema (1967) hun verhaal. Door hun biologische moeder, een ongehuwde onderwijzeres die in verwachting raakte en ontdekte dat haar vriend al een gezin had, werden zij ter adoptie afgestaan. Acht maanden verbleven ze in een kindertehuis waarna ze in twee verschillende gezinnen werden geplaatst, tegen de wens van hun moeder in en tot ontzetting van hun verzorgsters. En ondanks het feit dat er mogelijkheden waren om hen samen te plaatsen. Erik mocht mee met een leraar en zijn echtgenote en bleef enig kind, Peter kwam terecht op een boerderij en groeide op met een eveneens geadopteerd zusje. Of was het andersom? Tijdens het schrijven van dit stukje raakte ik in de war, en dat terwijl ik de film net had gezien! Daarmee is meteen mooi geïllustreerd wat mogelijk de reden is geweest waarom het beter leek de jongens onafhankelijk van elkaar te laten opgroeien. Want tweelingen worden vaak met elkaar vergeleken, als twee-eenheid benaderd of, als ze sprekend op elkaar lijken, met elkaar verward, en dit kan een gezonde identiteitsontwikkeling belemmeren. Gelukkig bleven Erik en Peter wel bij elkaar in de buurt, want daardoor, en dankzij het feit dat ze eeneiig waren, kwamen ze er op hun 17e achter dat ze een tweelingbroer hadden (Peter werd door iemand voor Erik aangezien). Peters adoptieouders bleken op de hoogte te zijn geweest van Eriks bestaan, zij hadden Erik ook graag mee willen nemen maar dat mocht niet. De Raad voor de Kinderbescherming had anders beslist en mogelijk uit angst de adoptie van Peter in gevaar te brengen protesteerden ze niet.

Erik en Peter zijn uiteraard het feestelijke middelpunt van de middag. Twee aardige, nuchtere vijftigers met een prettig gevoel voor humor. Zo komen ze ook naar voren in de film die hun zoektocht beschrijft naar het ‘waarom’. Ze zijn blij met hun adoptieouders, en blij dat ze elkaar gevonden hebben. Ze hebben ook weer contact met hun biologische moeder, die na de eerste ontmoetingen zich terug trok omdat ze telkens te zeer door haar emoties werd overmand. Maar ze hadden ook samen kunnen opgroeien, en dat dit niet is gebeurd voelt als iets dat hen is afgepakt, zoals één van hen het verwoordt. Hebben zij zich wel eens voorgesteld hoe het zou zijn geweest als ze wel samen waren gebleven? Dat zou in hoge mate hebben afgehangen van hun opvoeders, en het is bekend dat het krijgen van een tweeling ouders voor extra uitdagingen plaatst, alleen al door de dubbele hoeveelheid werk en de voortdurende uitdaging van het eerlijk verdelen van de aandacht. Ook de tweelingen zelf hebben doorgaans heel wat met elkaar uit te knokken. Vaak worstelen ze met gevoelens van loyaliteit en rivaliteit en met het van elkaar los groeien. Toch zegt je gevoel dat broertjes en zusjes, en dus ook tweelingen, zeker als ze ook al niet bij hun eigen ouders kunnen opgroeien, als het maar enigszins mogelijk is bij elkaar moeten blijven. Er moeten wel heel goede redenen zijn om anders te besluiten en het is begrijpelijk dat deze broers zich afvragen wat die redenen in hun geval zijn geweest. Heel graag willen ze ‘de waarheid’ weten: wie heeft toen geadviseerd of bepaald dat ze uit elkaar gehaald moesten worden en waarom?

De film volgt de zoektocht die Erik en Peter ondernemen, geholpen door Myrthe Buitenhuis. In documenten duikt al gauw de naam van psycholoog Harry Koster op als degene die adviseerde de kinderen in verschillende gezinnen te plaatsen. Hij was destijds werkzaam op het Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB), adviesorgaan van de Raad voor de Kinderbescherming, en in opleiding bij de toenmalige Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse (NVPA). Daar volgde hij de cursus ‘Karakterpathologie en karakterontwikkeling’ bij Lampl-de Groot. Nu komen de psychoanalyse en Jeanne in beeld. Dorothy Burlingham, levensgezellin van Jeannes vriendin Anna Freud, publiceerde in 1952 een belangrijk artikel over tweelingen. Ook een Amerikaanse documentaire over een na de geboorte gescheiden drieling en de daarin genoemde kinderpsychiater Peter Neubauer, die onderzoek naar meerlingen deed in het kader van het ‘nature-nurture debat’, voert naar de psychoanalyse.

Helemaal als blijkt dat Jeanne Lampl-de Groot correspondeerde met de Amerikaanse sociaal psychiater Viola Bernard, ook betrokken bij adopties en bij onderzoek naar gescheiden meerlingen, lijkt de link gelegd, al gaat het in hun brieven nergens over dit onderwerp. Het idee is dan zelfs geboren dat Erik en Peter slachtoffer zouden zijn geweest van een wetenschappelijk experiment. Dat lijkt onwaarschijnlijk, alleen al omdat er nooit een vervolg is geweest in de vorm van vraaggesprekken met de ouders, tests of observaties. Maar sommige ter adoptie aangeboden meerlingen uit de studies van Neubauer en Bernard werden wel bewust apart geplaatst ten behoeve van het onderzoek, dus helemaal vreemd is de veronderstelling niet. Helaas blijkt de eerdergenoemde Harry Koster, de enige die uitsluitsel over de kwestie had kunnen geven, twee maanden voor de makers zijn adres hebben achterhaald te zijn overleden. Kinderpsychiater en psychoanalyticus Frits Boer komt wel aan het woord. Die gaat meteen mee in de verdachtmakingen: foei MOB! Die mensen zouden zich God gewaand hebben. De tweeling zou nog wel eens het topje van de ijsberg kunnen zijn! Er gaat een golf van verontwaardiging door het publiek en even voel ik me angstig, alsof aan mij te zien zou kunnen zijn dat ik ook één van die psychoanalytische boosdoeners ben, en men zich als een woedende menigte op me zou kunnen storten.

Boers collega Ritha Korfage, die niet met Koster heeft samengewerkt maar hem wel kende, toont ook sympathie met de broers, maar blijft wel nadenken. Ze wijst er onder andere op dat mogelijk gedacht is dat tweelingen zich minder goed zouden kunnen hechten aan het nieuwe gezin – en omgekeerd – als ze samen zouden blijven. Ze zijn immers sterk onderling betrokken en zelfs biologische ouders kunnen zich soms buitengesloten voelen. Korfage dicht Koster zeker geen kwade bedoelingen toe en benadrukt ook dat dergelijke grote beslissingen echt niet door één persoon, maar door een heel team genomen werden. Daarmee ontzenuwt ze het zondebok-denken enigszins, en toont ze zich de betere ambassadeur van ons vak: ze schiet niet automatisch in de verdediging maar gooit haar collega’s ook niet voor de bus zonder ook maar één spoor van bewijs. Misschien denkt zij, met mij, nog wel andere dingen. Want voordat de zaak van Erik en Peter op de bureaus van de Raad en het MOB terechtkwam waren er tenslotte al wat beslissingen genomen, bijvoorbeeld door hun moeder, die besloot hen af te staan. Maar moeder lijkt vooral als slachtoffer te worden gezien: van de man die haar bedroog en in de steek liet, en van de moraal van haar tijd, want ongehuwd moederschap was in de jaren zestig van de vorige eeuw nog een grote schande. Mogelijk is haar ook voorgehouden dat het beter voor haar kind(eren) zou zijn als ze in een gezin, met een vader zouden opgroeien. Ongetwijfeld stond ze onder zware sociale druk, en toch valt op dat zij op geen enkel moment zelf verantwoordelijk wordt gehouden voor haar besluit, en dat aan háár goede bedoelingen nooit wordt getwijfeld. Ook de biologische vader van de broers blijft helemaal buiten schot. De adoptieouders die wisten dat er een tweelingbroertje was hadden toen de adoptie eenmaal een feit was alsnog een initiatief kunnen nemen, al waren die vanwege de vertrouwelijkheid en het ontbreken van onze huidige  communicatiemiddelen waarschijnlijk niet ver gekomen. Mogelijk raken deze vragen aan een pijn bij de naast betrokkenen die niet gevoeld kan worden, en komt de ‘schuld’ daarom bij de instanties te liggen. Daarmee schurkt de film soms aan tegen de hedendaagse trend van achterdocht jegens (zorg)professionals. Door de verontschuldigende werking van ‘de tijdgeest’ ook uit te strekken tot de medewerkers van het MOB en de Raad voor de Kinderbescherming, en meer in te gaan op de rol van de biologische (groot)ouders en de mogelijke gevoelens hierover bij de zonen, had de documentaire in ieder geval aan psychologische diepgang gewonnen.

Peter en Erik  is nergens sentimenteel, maar bij de beelden van huilende baby’s in een zaaltje met bedjes in het betreffende kindertehuis beginnen mijn buurvrouw – die ik niet ken – en ik te huilen. Het gaat dan over hun arme moeders die een doekje over hun gezicht kregen zodat ze hun pasgeboren kindje niet zagen, maar alles in mij wil schreeuwen: “Pak ze op! Houd ze tegen je aan!” Gelukkig vertelt één van de verzorgsters van de tweeling dat ze de baby’s heus wel stiekem – heb ik dat goed gehoord? – gingen knuffelen want ” … dat was veel te leuk!” Maar ook over de gevolgen van acht maanden kindertehuis en niet opgroeien bij je biologische ouders gaat de film niet. Beide broers wisten van jongs af aan dat ze geadopteerd waren, maar dat ze een broertje hadden werd hen niet verteld. Hoe denken ze dat dit alles hun leven, hun relaties, hun vertrouwen in anderen beïnvloed heeft? Werd Peters liefde voor paarden gevoed door een groot maar niet echt begrepen gemis? Koos hij zelf voor het vak van aardappelteler, of nam hij het bedrijf van zijn adoptieouders over, en zo ja, deed hij dit uit dankbaarheid – bewust of onbewust? Erik wilde altijd graag een broertje hebben en de ontdekking van Peter was iets als ‘tien kerstcadeaus’. De broederliefde was er direct en die stralen de twee in de film ook ruimschoots uit, op onnadrukkelijk Groningse wijze. Maar zochten ze ooit naar hun vader, en naar zijn andere kinderen? Hebben ze zelf kinderen gekregen? Allemaal vragen die in de film niet worden gesteld, en een antwoord op die ene vraag, naar het ‘waarom’, wordt niet gevonden. Naast een sublieme ode aan het Groningse landschap is dit een film waar je heel lang mee bezig kunt blijven. Mis hem niet!

De documentaire Peter en Erik van Jesse Bleekemolen wordt in twee delen uitgezonden door KRO/NCRV op 23 en 24 mei op NPO2. Organisaties en filmtheaters kunnen de documentaire bestellen, eventueel in combinatie met een debat of Q&A: cvaneijk@memphisfilm.net

Leontine Brameijer is psychoanalytica en schrijft de biografie van Jeanne Lampl-de Groot.

Met dank aan Memphis Features voor het hier mogen plaatsen van de stills uit de documentaire.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *